Westfriese families
Westfriese Families

Kwartaalbladen » 1954-1966 (jaargang 1, 1955) » No. 4 » pagina 18-21

Johannes Koster (21 april 1783 - 1 januari 1867)

Vóór de N.H. Kerk te Westerblokker vindt men, onder het geboomte verscholen, twee grafzerken. Eén daarvan is nieuw, maar de andere is de oorspronkelijke zerk op het graf van Johannes Koster. In de steen is het volgende opschrift gebeiteld:

Rustplaats van Sijtje Groot Gebn 8 Septr 1784 Overln 28 juni 1832 en Haren Echtgenoot Johs Koster Gebn 21 April 1784 Overln1 Janui 1867 Oud Burgemeester der Gemeenten Blokkers Westwoud en Binnewijzend en Zijne Tweede Echtgenoote Maartje Blokdijk Gebn 10 Septr 1801 Overln 22 Novr 1884

Deze eenzame steen en het opschrift wijzen er op, dat wij hier te maken hebben met een man van betekenis. Inderdaad is dit zo: wij kunnen uit het tijdvak 1814-1867 geen document betreffende Blokker opslaan, of wij komen de figuur van Johimnes Koster tegen. Met enige moeite is dan ook de levensgang en de betekenis van Johannes Koster na te gaan.

Hij werd geboren te Binnewijzend in 1783; het jaartal op de grafzerk is onjuist. Zijn vader, Cornelis Koster, was daar boer en bouwer. Deze was een zoon van één der burgemeesters van Binnewijzend, Pieter Coster. Cornelis trouwde op huwelijkse voorwaarden omstreeks 17 nov. 1779; zijn moeder, Aaltje van Meurs, was kort tevoren overleden en omdat hij minderjarig was, werd hij bij het huwelijk bijgestaan door zijn vader en door zijn voogd, Jacob Clay, de andere burgemeester van Binnewijzend. Zijn vrouw, Marijtje Balk, was een dochter van Hendrikus Balk, burgemeester van Oosterblokker. Cornelis Koster overleed jong, in 1800, te Binnewijzend; zijn vrouw in 1826 te Schellinkhout, blijkbaar wonende bij een zoon van haar, maar ook zij werd in het familiegraf in de N.H. Kerk te Binneewijzend begraven.

Uit deze gegevens blijkt, dat Johannes Koster uit de gezeten boerenstand kwam en dat zijn voorouders tot de boeren-regentenklasse behoorden, die te Blokker en Binnewijzend de lakens uitdeelde.

Op 13 april 1806 trouwde Johannes te Binnewijzend met Sijtje Groot, een boeren-dochter uit Oostwoud. Haar ouders waren Aris Groot en Antje Olislager en zij was te Oostwoud geboren op 7 Sept. 1783. Op 29 Jan. 1787 overleed reeds haar vader, die een zoon was van de Oostwouder landbouwer Jan Groot en Sijtje Gerrits Dekker. Antje Olislager trouwde echter opnieuw met een boerenzoon, Cornelis Stapel uit Sijbecarspel, en daarna gingen ze de boerderij van Antje's ouders te Westerblokker betrekken, dezelfde, waar later onze Johannes het grootste deel van zijn leven zou doorbrengen. Sijtje Groot woonde dus bij haar huwelijk te Blokker, maar de jonggetrouwden betrokken een boerderij te Oostwoud en bleven daar wonen tot het overlijden van moeder Olislager, die op 12 mei 1814 te Westerblokker overleed. Bij de scheidingsacte erfde Johannes Koster het bedrijf te Westerblokker met twee boerenhuizen (nl. de Barmhartige Samaritaan en het boerenhuis daartegenover, afgebroken na 1910, waar nu staat nr. 28) met het kleine renteniershuis (nu: het Witte Huis) en ruim 28 morgen land voor tezamen fl. 17000,-. Na het overlijden van Johannes Koster in 1867 werd dit bedrijf toebedeeld aan zijn zoon Elias Koster voor fl. 65000,-; in 1910, toen na het overlijden van diens weduwe, Grietje Baan, het bedrijf in publieke veiling werd verkocht aan strijkgeldhaalders, bracht het totaal (ruim 28 ha) ruim 80 mille op. Deze cijfers tonen overduidelijk aan, hoe sterk de landprijzen in de eerste helft van de vorige eeuw gestegen zijn.

Te Oostwoud werd op 16 febr. 1807 hun eerste kind geboren: Cornelis, vernoemd naar grootvader Cornelis Koster, die al 7 jaar eerder te Binnewijzend overleden was. Cornelis trouwde te Blokker op 12 april 1829 met Pietertje Brugman, afkomstig uit Hem; zij gingen boeren te Oostwoud, maar reeds op 29 febr. 1832 overleed Cornelis en op 16 juni 1833 volgde zijn weduwe, zodat hun dochtertje Sijtje, geboren op 2 febr. 1832, reeds op éénjarige leeftijd ouderloos was. Eerst werd zij opgevoed door haar grootmoeder van moeders-zijde, Kniertje Schoenmaker te Hem, die in 1832 haar man, Dirk Brugman, had verloren. Maar later werd zij door haar grootvader en voogd, Johannes Koster, die in 1833 hertrouwd was met Maart je Blokdijk, thuisgehaald. Sijtje Koster trouwde op 19-jarige leeftijd met Pieter Koeman, een overbuurman, nu huis nr. 31 en bewoond door zijn vaders achterkleinzoon. Nimmer heeft Sijtje Koster het kinderleed vergeten van de gedwongen scheiding van haar meest geliefde grootmoeder, Kniertje Schoenmaker.

Op Cornelis volgde een dochter, Antje, volgens de regels vernoemd naar haar moeders moeder: Antje Olislager. Zij werd geboren te Oostwoud op 21 juli 1810 en trouwde te Blokker op 15 april 1830 met een Bangerter tuinder, Vormer Balk. Ook Antje overleed jong: 13 sept. 1832, nadat ze op 28 febr. 1831 een zoon, Johannes, had gekregen. Op zevenjarige leeftijd is deze zoon reeds overleden.

Het derde kind, dat te Oostwoud op 30 aug. 1813 werd geboren, was Aris. Hij trouwde op 20 april 1835 te Berkhout met Maartje Nobel. Bij zijn eerste vrouw, die op 6 nov. 1846 overleed, kreeg hij vier kinderen: Johannes, Willem, Cornelis en Geertje. Op 23 dec. 1849 hertrouwde hij met Maart je Spaans, bij wie hij opnieuw vier kinderen kreeg: Pieter, Elias, Gerrit en Sijtje. Hij ging later boeren te Oostwoud en werd bij het overlijden van vader Johannes eigenaar van de plaats te Oostwoud voor bijna 50 mille. Uit de huwelijken van 4 van zijn zoons is een grote nakomelingschap gevolgd. In 1814 verhuisden Johannes Koster en Sijtje Groot naar Blokker en betrokken het na 1910 afgebroken ouderwetse houten huis, recht tegenover de Samaritaan, die ook hun eigendom werd.

Te Blokker werd op 30 maart 1817 geboren Marijtje, die op 24 april 1836 te Berkhout trouwde met Simon Nobel, een broer van Maartje Nobel, de eerste vrouw van Aris Koster. Zij boerden te Berkhout, waar hun vier kinderen werden geboren. Marijtje is ook vóór het overlijden van haar vader heengegaan.

Als nakomertje kwam op 13 dec. 1823 de zoon Elias ter wereld. Elias trouwde te Hoogkarspel op 4 mei 1845 met Grietje Baan. Hij boerde achtereenvolgens te Blokker en Schellinkhout en daarna op de boerderij van zijn vader te Westerblokker, die hij na diens overlijden erfde. Vader Koster bewoonde de laatste jaren van zijn Ieven het renteniershuis daar, waar thans het Witte Huis staat. Van Elias zijn in leven gebleven: Maartje, Dirk en Cornelis; beide zoons hebben het geslacht Koster verder verspreid. Elias overleed te Blokker op 18 okt. 1868, Zijn weduwe, Grietje Baan, hertrouwde met Dirk Zee, die op hetzelfde bedrijf geboerd heeft. Ook haar tweede man overleefde Grietje Baan; op 30 april 1909 is zij op 83-jarige leeftijd overleden. Op 23 nov. van hetzelfde jaar werd de plaats, die inmiddels al enige jaren verhuurd was, publiek verkocht.

Overzien wij de hier opgesomde gegevens, dan blijkt daaruit, dat Joh. Koster in zijn lange leven een groot gezin en een groot bedrijf heeft gesticht. Ongetwijfeld werd hem het leed niet gespaard; vooral omstreeks 1832 moet hij veel ellende hebben gehad. Z'n eerste vrouw, Sijtje Groot, en zijn twee oudste kinderen, Cornelis en Antje, beiden gehuwd en jonge kinderen nalatende, ontvielen hem. Eind 1833 hertrouwde hij met Maartje Blokdijk, een weduwe uit Hauwert, die de opvoedster werd van zijn twee jongste kinderen en zijn kleindochter. De oudste hiervan, Marijtje, overleed ook nog vóór haar vader. Maartje Blokdijk, die 18 jaar jonger was dan haar man, heeft nog geruime tijd in het renteniershuis te Westerblokker gewoond; zij overleed daar op 22 nov. 1884.

Ook op maatschappelijk gebied heeft Johannes Koster zijn sporen verdiend. Vooreerst had de Kerk zijn volle belangstelling. Nauwelijks woonde hij te Westerblokker of hij werd diaken; in 1815 reeds tekent hij de rekening van de kerkeraad, en in 1821 was hij kerkvoogd. Spoedig was hij president-kerkvoogd en tot 1864, toen hij zijn funkties wegens zijn leeftijd (80 jaar!) overgaf, volgde Pieter Koeman, die met z'n kleindochter Sijtje Koster getrouwd was, hem op.

Niet mlnder sterk waren zijn bemoeiingen met het burgerlijk bestuur. Hier werd hij ongetwijfeld op het paard gezet door de stiefvader van zijn vrouw, Cornelis Stapel. Zijn oom, Theunis Koster, was zowel in de Franse tijd als daarna eerst Maire en daarna burgemeester. Er was blijkbaar iets met hem aan de hand, want in 1818 werd hij ontslagen. De secretaris Muntjewerff, toen Schout genoemd, volgde hem op en Johannes Koster werd assessor, te vergelijken met eerste wethouder. Na Muntjewerff werd vanaf 1825 de notaris, Dirk Hulst, tot schout benoemd en later burgemeester genoemd. Hij overleed op 19 mei 1838; direct volgde Johannes Koster hem op, eerst als fungerend burgemeester en secretaris, maar reeds vanaf september als burgemeester; op zijn voorstel werd tot secretaris benoemd 'n broer van wijlen Not. Hulst, de cand.-notaris Cornelis Hulst. Tot begin 1860 is hij burgemeester van Blokker - en tevens nog van Westwoud - geweest; toen werd hij, op zijn verzoek 'wegens vergevorderde leeftijd' ontslagen en opgevolgd door Joris de Boer; deze werd in 1888 weer opgevolgd door Cornelis Koeman, een broer van Pieter Koeman.

Op het terrein van polderzaken was hij ook werkzaam. In 1822 reeds tekende hij de rekening van de Oosterpolder namens het gemeentebestuur van Blokker. In 1828 benoemde de Raad van Blokker hem tot Molenmeester waar hij Cornelis Stapel opvolgde. Pas op 25 maart 1865 werd Johannes Koster opgevolgd door Klaas Sluis. Tevens was hij nog Heemraad van Drechterland.

Johannes Koster was de vertrouwensman van velen. Regelmatig komt hij voor als beheerder, voogd of boedelberedder.
Stipt eerlijk en nauwgezet, uiterst eenvoudig en tevens vemogend, was hij het type van een boeren-burgemeester, zoals er in de eerste helft van de vorige eeuw in onze omgeving meerderen voorkwamen.

Zij zijn de bouwers geweest van de grote ontwikkeling, welke na de Franse tijd op vrijwel alle terreinen des levens een aanvang nam.


© 1954-2022 | Westfriese Families | E-mail | Sitemap
"Die zijn voorgeslacht niet eert, is zijn eigen naam niet weerd."

Westfries Genootschap